In de nacht van 3 op 4 februari 1825 woedde er een storm en er was een springvloed. De dijken bezweken en het land overstroomde met zout zeewater. Alleen het centrum van Sneek lag nog boven water.
De omliggende landerijen lagen tot half april onder water. Veel boeren verloren hun inkomsten. Vee stierf en het gras op het land was zelfs in de zomer van 1826 nog verrot. Ziektes als tyfus en malaria doken op. In 1826 stierven in de stad alleen al 545 inwoners, 10 % van de bevolking, en in 1827 nog eens 326.
Het sterftecijfer was alleen al bijna drie keer zoveel als in een normaal jaar. Op het platteland en in de omliggende dorpen zal de situatie niet veel beter geweest zijn.
In 1516 was er een inval van de Bourgondische troepen in Zuid-West Friesland. Veel dorpen werden geplunderd en in brand gestoken. Sneek was de hoofdstad van Gelders gezind Friesland en was goed verdedigd.
Na de maanden van strijd en met veel dorpen in Friesland platgebrand kwam er in november 1516 een hevige storm precies op het moment van een springvloed.
Het zeewater kwam zo hoog dat je met een bootje in de straten van de binnenstad van Sneek kon varen. Veel landbouwgrond was in de jaren daarna door het zoute water onbruikbaar.