Toen en Toen ..
Zoeken Het verhaal van Friesland

Oppenhuizen in de 80 jarige oorlog

De Tachtigjarige Oorlog duurde van 1568 tot 1648. Ook in de Friese steden leidde deze periode vaak tot grote spanningen en soms tot gewelddadige beeldenstormen, waarbij katholieke kerken werden geplunderd en religieuze beelden vernield.

Op het Friese platteland verliepen de veranderingen meestal minder heftig. Oppenhuizen en Uitwellingerga waren alleen over het water bereikbaar. De veranderingen drongen er wel door maar het ging er allemaal gemoedelijk aan toe.

1583: Oppenhuizen werd niet platgebrand door de Spanjaarden

Friesland overstromingen

1580: De pastoor van Oppenhuizen moet weg

De laatste pastoor van Oppenhuizen was Sierk Djurres, in een bron uit 1580 geschreven als Sierck Dyorrezn.

Toen overal in Friesland de protestanten de macht kregen moest ook de kerk van Oppenhuizen protestants worden. Pastoor Siek Djurres moest dus zijn spullen pakken of van geloof veranderen en dominee worden. Pastoor Siek Djurres wilde niet dominee worden en gaf zijn beroep op. De pastoor bleef na zijn ontslag wel in het dorp wonen. Hij mocht het land van de pastorij blijven bebouwen en kon zo gedeeltelijk in zijn levensonderhoud voorzien. Daarnaast verrichtte hij nog werkzaamheden rond de kerk, zoals het toezicht houden op de kerk en hij luidde de klok. De overgang van katholiek naar protestants ging dus gemoedelijk wat betreft de dorpsbewoners.

In katholieke tijden was het interieur van de kerk versierd met beelden, schilderijen en altaren. Na 1580 werden de muren wit en alleen de zitplaatsen en de preekstoel bleven over.

1580: De "beeldenstorm" van Oppenhuizen

Ook in Oppenhuizen verdwenen uiteindelijk de katholieke beelden uit de kerk, maar de manier waarop dat gebeurde wijkt af van de beeldenstormen die we kennen uit de geschiedenisboeken. In aantekeningen in het kerkregister, het Register van Geestelijke Opkomsten, staat vermeld dat de kerkvoogden één gouden munt en vierentwintig stuivers moesten betalen aan sergeant Jan van Groningen.

Jan van Groningen was vermoedelijk een geus of gewoon een afperser die dorpen afging om beelden te verbranden. In het register van de kerk staat over de betaling dat Jan van Groningen de verbranding van de beelden en de betaling ervan afdwong. Verder wordt vermeld dat Hottje Dirks de altaren uit de kerk verwijderde.

Het initiatief tot het verbranden van de beelden lag dus niet bij de dorpsbewoners zelf, maar bij een soldaat die kennelijk zijn gezag of overtuigingskracht gebruikte om de beelden te vernietigen en er zo een zakcentje mee verdiende. Het zou interessant zijn om in de kerkregisters van de omliggende dorpen na te gaan of Jan van Groningen ook hier tegen betaling beelden verbrandde.

Bron o.a.: O. Santema "Ta de Skiednis fan Toppenhuzen en Twellegea (1939)"