Toen en Toen ..
Zoeken Het verhaal van Friesland

De landbouwcrisis in de 18de eeuw

In 1748 verkeerde het Friese platteland in diepe crisis. In de achttiende eeuw werd de boerenstand zwaar getroffen. Misoogsten, veepest en economische neergang maakten dat veel boeren hun lasten niet meer konden dragen.

Regelmatig werd een boerderij — een zathe — verlaten. De eigenaar trok weg omdat hij de zware belastingen en schulden niet langer kon opbrengen. De provincie nam zulke verlaten bedrijven in beslag en verkocht ze later opnieuw. In de Floreenkohieren zie je dan bijvoorbeeld: “Sinne Jetzes verlatene zathe” voor 55 pondemaat of “Hessel Sytzes verlatene zathe” voor 49¼ pondemaat. Achter deze zakelijke notities ging veel persoonlijk leed schuil.

De boeren en boerenarbeiders die hun beroep verloren vertrokkken vaak naar de stad voor een nieuw bestaan. Een stad als Sneek begon in deze periode flink te groeien.

Sneek in de 18de eeuw

Een Fries Langhuis

Dit type boerderij was in Friesland in de 17de en 18de eeuw het meest gangbaar.

Friesland bij Sneek

Er komt verzet tegen de hoge belastingen

De belastingdruk bleef hoog en de verdeling van lasten werd als onrechtvaardig ervaren. In 1748 leidde deze spanning tot openlijk verzet in heel Friesland, vooral gericht tegen de belastingpachters en ontvangers.

Er komt verzet tegen de hoge belastingen

Ook de dorpen Uitwellingerga en Oppenhuizen (het latere Toppenhuizen) speelden hierin een rol. De gebeurtenissen rond de Brekken werden later aangeduid als de “Arniade” of “Armade”. Jonkheer Vegelin van Claerbergen, grietman van Doniawerstal, wonend op Langweer schreef hierover een verslag.

Op 2 juni 1748, Pinksterdag, kreeg de jonkheer bericht dat twee grote schepen, vol gewapende boeren uit Uitwellingerga en Oppenhuizen, Offingawier en Gauw, richting Hommerts voeren. Zij haalden daar de predikant uit de kerk, net zoals zij op andere plaatsen geestelijken en functionarissen aanspraken.

De schepen trokken vervolgens verder naar Woudsend, waar men probeerde de schoolmeester uit de kerk te halen om hem onder druk te zetten snel aan hun eisen tegemoet te komen. Daarna richtte de actie zich tegen de belastingadministratie: de collecte- en kohierboeken werden in beslag genomen of vernietigd, zoals op meer plaatsen in Friesland gebeurde. Groepen boeren trokken ook naar Indijk en andere omliggende dorpen. Men handelde volgens een vaste leus: drie dorpen trokken gezamenlijk naar het vierde; wanneer daar “orde op zaken” was gesteld, keerde het verste dorp terug, terwijl de anderen verdergingen.

Hoewel het protest van Legeanster, Oppenhuister en Twellegeaster boeren volgens tijdgenoten vreedzame bedoelingen had en vooral gerechtigheid zocht tegen de belastingdruk, bevond zij zich buiten de wet. Het was een georganiseerde demonstratie van eensgezindheid: mannen uit de dorpen voeren gezamenlijk uit over het water, bewapend en vastberaden, om de symbolen van fiscale onderdrukking aan te pakken.