In 1823 wordt het boerenleven in Wirdum gekenmerkt door een vast ritme van vroeg opstaan, hard werken, zorg voor vee en zuivel, eenvoudige maaltijden en een duidelijke taakverdeling binnen het gezin en op de boerderij. Op basis van de beschrijvingen van Doeke Wijgers Hellema ontstaat een beeld van een bestaan waarin bijna ieder uur van de dag nuttig wordt besteed. Vooral in gewone tijden, dus buiten de drukste hooiperiode, verloopt het leven volgens een vrij vaste orde.
In de zomer staat de boer al rond vier uur ’s morgens op. Hij maakt meteen zijn knechten wakker, trekt snel een linnen broek en een kiel aan en gaat direct aan het werk. Ook de boerin is al vroeg op. Als zij kleine kinderen heeft, laat zij die nog slapend achter en begeeft zij zich stil naar de molkenkelder om met het zuivelwerk te beginnen.
In de koele kelder, de molkenkelder, neemt zij de room van de melk af. De melk staat in houten of koperen aden, langwerpige en ondiepe bakken. Met een roomspaan schept zij de room eraf. Ondertussen giet de boer, de boerin of een knecht de afgeroomde melk in de kaasketel. Daarna worden de lege bakken naar buiten gebracht. Op een grotere boerderij kunnen dat er wel twintig of meer zijn.
Nadat het afromen klaar is, gaat de boerin direct naar de koeien om te melken. Daar is het personeel al bezig, nadat de koeien zijn samengedreven. Terwijl het melken doorgaat, maakt de boerin de gebruikte aden zorgvuldig schoon. Eerst boent zij ze, daarna brandt zij ze uit om alle vuil en zure aanslag te verwijderen. Dat gebeurt met grote zorg, omdat goed schoon werk nodig is om de zuivel goed te houden.
Tegelijkertijd wordt de kaasketel gestookt en gevuld met melk, soms met twintig emmers of meer, soms met minder, afhankelijk van de grootte van het bedrijf. Zodra de melk op de juiste warmte is, wordt er stremsel aan toegevoegd om kaas te maken. Ondertussen is ook het melken klaar en wordt de verse melk koel gezet, in bakken of in sloten met koud water. Hoe kouder het water, hoe beter men dat vindt.
Tijdens al deze drukte let de boerin ook nog op haar kinderen. Af en toe luistert zij stil of haar kinderen in de wieg of in bed nog rustig slapen.
Voordat er gegeten wordt, moeten eerst nog meer taken worden gedaan. De varkens worden gevoerd, de kalveren krijgen te drinken en de schapen worden gemolken. Ondertussen maakt de boerin ook het ontbijt klaar.
Dat ontbijt bestaat uit thee en een flink stuk roggenbrood met boter en kaas. Zodra alles klaarstaat, gaat iedereen aan tafel. Eerst wordt er gezamenlijk gebeden en na het eten wordt er gedankt. Rond zes uur in de morgen, na ongeveer een kwartier of soms iets langer aan tafel te hebben gezeten, gaat iedereen weer uiteen om aan het werk te gaan.
Na het ontbijt gaat de boerin, als er gekarnd is, verder met het verzorgen van de boter. De boer of de knecht houdt zich bezig met de brokken voor de kaas. Die worden van de wei ontdaan, snel uitgeperst en fijn gemaakt, waarna men ze uitzet zodat het vocht eruit kan lopen. Men zegt dan dat de brokken worden gedekt.
De meid is intussen druk met het schoonmaken van de emmers. Eerst giet zij melk in de gereinigde en klaargezette aden, daarna boent zij de emmers goed uit. Intussen zijn ook de kinderen wakker geworden en worden zij aangekleed.
De boer wijst daarna zijn knecht of arbeider het werk aan, tenzij dat al tijdens het ontbijt is afgesproken. Vervolgens werkt hij zelf mee of loopt rond over zijn erf en land. Hij kijkt of het vee, de hekken, de dammen en de landerijen in goede staat zijn. Ook let hij erop wat hersteld of verbeterd moet worden.
De boerin brengt samen met de meid het verdere werk in het huis op orde. Rond negen of tien uur in de ochtend wordt het gewone morgenwerk als voltooid beschouwd.
Na het ochtendwerk houdt de boerin zich verder bezig met het huishouden. Rond elf uur wordt het gezin opnieuw bijeengeroepen en drinkt men samen koffie. Als er geen haastig of zwaar werk te doen is, blijft men daarbij enige tijd zitten.
Daarna wordt de tafel meteen voor de middagmaaltijd gedekt. Rond twaalf uur eet men, nadat er eerst gebeden is. Het eten bestaat uit aardappelen, grauwe of groene erwten, witte bonen, gort, boekweit, gebroken gort, meelspijzen of iets anders dat beschikbaar is. Vaak wordt dit aangevuld met vet, spek en rookvlees. Na de maaltijd eet men meestal nog brij van zuip en gort. Als iedereen verzadigd is, wordt er gedankt en staat men van tafel op.
Eten en drinken in Friesland rond 1800
Na het eten vult de knecht de kaasvaten met de bereide en goed uitgerijpte brokken, nadat de kaas van de vorige dag eruit is genomen. Die vaten worden goed gevuld en daarna onder de kaaspers gezet, zodat de kaas stevig in elkaar gedrukt kan worden. Daarna gaat ook hij weer aan het werk, net als de rest van het gezin.
Zo werkt ieder in de middag door in zijn eigen bezigheden. Om half vier wordt men opnieuw bij elkaar geroepen voor de thee. Soms is er dan ook een sober tussendoormaaltje, met voor ieder een stuk roggenbrood.
Om vier uur begint het avondwerk. Dat brengt ongeveer dezelfde drukte met zich mee als het ochtendwerk. Gewoonlijk wordt er dan geen kaas meer gemaakt, behalve wanneer warm en vochtig weer daartoe dwingt. In zulk weer kan de melk sneller zuur worden. Om te voorkomen dat er slappe of week geworden kaas ontstaat, moet soms ook ’s avonds nog extra melk worden verwerkt. Meestal wordt de kaas echter pas gemaakt van melk die al twee dagen oud is, of zelfs drie dagen als het weer fris is. Daarbij speelt ook de toestand van de molkenkelder mee, of die droog of vochtig is.
Tijdens het avondwerk wordt opnieuw gemolken. De melk wordt weer gekoeld en opgegoten. Ook worden de varkens gevoerd, de kalveren gedrenkt en de schapen gemolken. Verder wordt alles nagezien, schoongemaakt en opgeredderd.
Rond zeven uur gaat men aan tafel voor het avondeten. Dat kan bestaan uit opgewarmde brij of iets anders, maar het is altijd warm eten. Nadat men gegeten heeft, drinkt men om acht uur nog thee.
Meestal ligt het hele huisgezin dan rond negen uur alweer in bed. Zo eindigt een gewone werkdag op de boerderij.
Het leven op de boerderij in Friesland in 1813 (de Franse tijd)
Kinderen van het Friese platteland (rond 1813)
In gewone tijden heeft het boerenleven een vast ritme, maar in de hooiperiode verandert alles. Als het weer goed is, moet het hooi in drie tot vier weken binnen zijn. In die drukke tijd is er geen vaste dagindeling meer. Iedereen op de boerderij moet dan meehelpen, jong en oud.
Behalve de vaste hooiarbeiders komen er soms ook extra helpers. Dat zijn onder meer zweelers, mensen die het hooi met een hark bijeen trekken. Dat zijn vaak vrouwen uit arbeidersgezinnen, omdat veel mannen in die periode al vast werk hebben bij het hooien.
Tijdens de hooitijd staat men meestal al om drie uur ’s morgens op. Vaak gaat men pas om tien of elf uur ’s avonds naar bed. Het gewone werk in de ochtend en avond, zoals melken en de verzorging van het vee, gaat intussen ook gewoon door. Juist dat maakt de hooiperiode zo zwaar, want dat werk kan niet blijven liggen.
Bij mooi weer en rijp hooi eet men soms pas rond tien uur in de ochtend. Daarna gaat iedereen snel naar het land. Zodra iedereen op zijn plaats staat, wordt er doorgewerkt tot ongeveer twee uur in de middag.
Dan brengt de boerin thee en een stevige maaltijd naar het land. Het hele gezelschap gaat bij een rook hooi op de grond zitten, in een kring. Een rook is een opgezette hooibult. De mensen zijn dan vaak zo moe, dat zij het eten en drinken met vermoeide en trillende handen naar de mond brengen.
Na deze korte rustpauze staat iedereen weer op en gaat met nieuwe moed verder. Rond half vier gaan de melkers terug naar huis om te melken. De meid blijft meestal achter om de boerin te helpen. Daarna komen de anderen weer terug met eten en koffie, en eet men opnieuw zittend op de grond. Vervolgens wordt het laatste werk afgemaakt.
Als de hooibulten zijn opgemaakt en alles op de hooiwagens is geladen, keert men vaak pas rond negen uur ’s avonds thuis. Soms is dat wat eerder, soms wat later.
Thuis eet men eerst samen, nadat er gebeden is. De maaltijd is stevig en vet, met spek, rookvlees en pap of brij. Als iedereen verzadigd is en er gedankt is, gaan de mannen vaak na een pijp tabak naar bed.
Ook de boerin en de meid gaan daarna rusten, maar pas nadat zij eerst alles in huis weer op orde hebben gebracht. Na zo’n dag is men zo moe, dat men bijna meteen in slaap valt.
Bij het binnenhalen van het hooi is men minder afhankelijk van het weer dan bij het drogen ervan, maar het werk blijft zwaar. Vooral wanneer de gollen, de grote hooivakken of hooipartijen, hoog worden, kost het veel inspanning.
Toch werkt men met moed door. Boeren en buren kijken vaak wie het eerst klaar is. Soms brengt een boer de laatste wagenlading met een soort vlag op de wagen naar huis, als teken dat het werk voltooid is.
Als al het hooi binnen is, alles netjes is opgestapeld en de tijdelijke hooiarbeiders hun loon hebben gekregen en vertrokken zijn, keert men terug naar het gewone werk. Dan lijkt het alsof er ineens veel minder te doen is, zo groot is het verschil met de drukte van de hooiperiode.
Na de hooitijd worden de sloten schoongemaakt. Dat gebeurt met hekkels, gereedschap om vuil en begroeiing uit de sloten te halen. Meestal doen de knechten dit werk, tenzij de boer er losse arbeiders voor inhuurt.
De uit de sloot gehaalde zoden en modder worden daarna opgeruimd. Soms brengt men die naar lage plekken op het land, soms worden ze op hopen gegooid. Later komen ze op de mesthoop terecht, zodat ze als mest kunnen dienen. Ook hierin gaat dus niets verloren.
Met dit soort werk gaat de zomer voorbij en daarna ook de herfst, totdat het vee weer op stal komt.
In de winter leeft men op ongeveer dezelfde manier als in de zomer, maar men staat later op, meestal rond vijf uur in de ochtend. De werkzaamheden gaan door, maar het ritme is iets minder vroeg.
In die tijd eet men niet alleen het gewone boereneten, maar ook wat men zelf in de tuin heeft verbouwd en bewaard. Dat zijn vooral rapen, wortels en kool. Daarnaast heeft men meestal ook vlees en spek in voorraad.
Als er niet genoeg hooi is voor het vee, geeft men extra voer in de vorm van lijnkoeken of graankoeken.
Veel boeren mesten voor hun eigen huishouden één of meer varkens vet. Hoe groot het huishouden is, bepaalt hoeveel dieren men houdt. Zo’n varken kan soms wel een flink gewicht bereiken.
Daarnaast slachten boeren ook wel stieren die eerder voor het dekken van het vee zijn gebruikt. Wie het zich kan veroorloven, laat ook een rund vetweiden voor de slacht. Sommige boeren verkopen hun stieren liever en kopen dan een vet slachtdier terug, zodat zij goed voorzien zijn van vet en vlees. Dat is belangrijk voor het huishouden.
In de maand mei, wanneer de koeien kalven, eten boerengezinnen veel kalfsvlees van jonge kalveren. Als er overvloed is, geven zij daar soms ook van weg aan burgers of armere mensen. Volgens de schrijver is dat vroeger in elk geval gebruikelijker dan later.
Niet alles komt van de eigen boerderij. Voor de wintervoorraad haalt men ook voedsel van buiten, bijvoorbeeld uit de stad of uit andere plaatsen. Daarbij gaat het vooral om aardappelen, rapen en wortels.
Als men zelf niet genoeg heeft, haalt men deze producten met de hooiwagen, meestal van de bouwstreek. Zo vult men de eigen voorraad aan voor de wintermaanden.
De kermis van Wirdum in de 19de eeuw.
In de winter komen dorpelingen vaak ’s avonds bij elkaar om bij toerbeurt koffie te drinken. Dat gebeurt meestal op zondagavond en met verschillende paren tegelijk. Men komt dan altijd rond acht uur bijeen.
De mannen gaan bij de haard zitten, waar bij koud weer een goed vuur brandt. De vrouwen nemen plaats aan de koffietafel, die al met schoteltjes is gedekt. Als het geen zondagavond is, nemen zij vaak naaien of breien mee. De mannen krijgen pijpen en tabak.
Als iedereen zit en alles klaarstaat, begint het koffiedrinken. In elk schoteltje liggen de nodige suikerklontjes. Zulke avonden duren soms tot laat in de nacht en verlopen onder aangename gesprekken. Voor het afscheid wordt soms nog wat drank geschonken, maar zonder buitensporigheid. Daarna bedankt men elkaar, wenst men elkaar een goede nacht en gaat ieder weer naar huis.
De schrijver zegt zelf dat hij zich bij zulke gelegenheden bijzonder goed vermaakt, of hij nu gasten thuis ontvangt of ergens anders is uitgenodigd. De gesprekken vindt hij vaak zeer aangenaam.
Ook kindervisites komen geregeld voor. Kinderen worden dan ontvangen en verwend, en voelen zich bij zulke gelegenheden vaak belangrijker dan kinderen die niet zijn uitgenodigd, vooral de meisjes.
Soortgelijke bezoeken zijn er ook voor volwassen meiden, zonen en dochters. Zij brengen dan de dag en de avond vrolijk door bij degene die heeft uitgenodigd. Mannen en vrouwen komen daarbij niet samen, maar apart, ieder op een eigen tijd. Zo’n bijeenkomst van jonge mannen wordt een feintenvisite genoemd, die van jonge vrouwen een meidenvisite.
De schrijver merkt wel op dat zulke visites niet bij de hele bevolking voorkomen, maar vooral bij een bepaald deel van de inwoners. Wel bestaat er ook onder knechten, meiden en buurtgenoten de gewoonte om op een vaste avond ergens samen te komen om koffie te drinken.
Deze informatie is gebaseerd op een beschrijving van het boerenleven van Doeke Wijgers Hellema(1766-1856) uit 1823: onderwijzer, belastingontvanger en later boer te Wirdum.
Het originele artikel van Doeke Hellema uit 1823
De illustraties zijn bewerkte gravures van omstreeks 1790 (o.a. van C.F. Bendorp en J. Bulthuis).
De Friese steden
Kinderen in de Friese steden rond 1800
Kinderen op het Friese platteland
De dagindeling op het platteland
Kleding in Friesland rond 1800
Markten en kermissen in Friesland
Bijzondere gebruiken in Hindeloopen
Sneek aan het eind van de 18de eeuw.